Openhartig interview met Badr Hari: “Ik doe geen vlieg kwaad”

Volgens sommigen is hij een gewetenloze crimineel, anderen noemen hem een charmante sportman. Wij wilden de échte Badr Hari leren kennen en wisten hem te strikken voor een interview in het bruisende centrum van Marrakesh. Op stap met ‘Bad Boy’ Badr Hari.

Dat we te maken hebben met een superster is duidelijk. De stad gonst van opwinding als de opvallende Hari (de Marokkaans-Nederlandse kickbokser is 1.97) zich een weg baant door talloze fans. Het tafereel doet denken aan de heldenontvangst van Muhammad Ali door de bevolking van Kinshasa, Zaïre. Kinderen scanderen zijn naam, oude mannen kloppen hem bewonderend op de schouder en vrouwen van alle leeftijden zetten hun verleidelijkste glimlach op. Badr lacht gul terug. Hij maakt voor iedereen tijd, deelt handtekeningen uit en geeft in het voorbij gaan knietjes waar hij maar kan. Een jongen van amper tien jaar oud valt voorover en klapt hard met zijn tanden tegen de stoeprand. Hari grinnikt tevreden.

Badr schuift bij me aan in een van de duurste bars van Marrakesh. Hij verontschuldigt zich voor zijn late entree en de bloedspetters op zijn verder maagdelijk witte, linnen hemd. Hij houdt zijn zonnebril op, maar zijn mondhoeken verraden een lachje als hij de bar rondkijkt en overal bewonderende blikken kruist. “Doe maar jus,” zegt hij zonder dat ik hem wat gevraagd heb.

Ik moet toegeven dat ik ook onder de indruk ben. Of, beter: van mijn stuk. Hari is een knappe man; atletisch, gespierd en met een ontwapenende lach die voorbehouden is aan brutale jongens die weten dat de wereld aan hun voeten ligt. Het is moeilijk voor te stellen dat de charmante man tegenover me Georgiërs van 150 kilo plus in dertig seconden sloopt. Laat staan dat hij in zijn vrije tijd portiers en onschuldige voorbijgangers invalide schopt, of aan het hoofd staat van een criminele bende, zoals sommigen fluisteren.

“Wat ben jij, Badr, straatvechter of vechtsporter?” begin ik.

Zonder nadenken antwoordt hij dat hij vechtsporter is. “Ik leef voor mijn sport. Ik train hard. Ik leef als een monnik”, zegt hij terwijl hij de serveerster een vette knipoog geeft. Als ze de jus voor hem neer heeft gezet en weg wil lopen, komt Badr vliegensvlug uit zijn stoel en vloert haar met een welgemikte lowkick.

“Wat doe je, Badr?” vraag ik verschrikt. “Heeft ze iets verkeerd gedaan?” Badr gaat zitten. “Nee,” antwoordt hij, “hoezo?” Hij kijkt me vragend aan, terwijl hij voorzichtig van zijn verse jus nipt.

Ik vervolg: “Nou, het lijkt soms alsof je – hoe moet ik het zeggen? – jezelf niet helemaal onder controle hebt.” Badr lacht een gulle lach. Hij geeft me een amicale schop in mijn nierstreek en zegt lachend: “Onzin!”

Ik probeer wat te zeggen, maar de adem ontsnapt met pijnlijke horten en piepende stoten uit mijn lichaam. Gelukkig gaat Badr onverstoord verder. “Mijn kracht is juist dat ik totale controle heb. Mensen denken dat kickboksen om kracht gaat, maar beheersing, techniek en concentratie zijn veel belangrijker. In dat opzicht zie ik mezelf als een danser. Ik dans een dans die het uiterste van mijn lichaam vraagt, een minutieus uitgedachte choreografie die constant verandert en dus moet je scherp blijven.”

Hij staat op. Met een uiterst precieze elleboogstoot op het achterhoofd vloert hij de bejaarde man aan het tafeltje achter ons. Na een nekklem van bijna een minuut gaat Badr weer zitten. “Waar haden we het over? Oh ja, zelfcontrole.”

Door de consternatie loopt de bar vol met toeschouwers. “Nouja, er zijn aantijgingen…” probeer ik voorzichtig, “dat je ook buiten de ring wel eens je handen laat spreken.” Badr kijkt me met grote ogen aan. “Dat is lulkoek,” zegt hij. “Ik ben een jongen van de straat. Als jongens van de straat succesvol worden, zijn er een hoop mensen jaloers. En ik ben héél erg succesvol. Dan krijg je rare praatjes.”

Een jongetje van een jaar of zeven krijgt van Badr een handtekening, een aai over zijn bol en een kopstoot op zijn neus. “Ik doe geen vlieg kwaad,” zegt de kickbokser terwijl hij het bloed van het jongetje van zijn voorhoofd veegt. Een toegesnelde serveerster draagt het jongetje naar de keuken om te verzorgen, maar halverwege maakt een katachtige flying kick van Hari een einde aan die illusie. Een linkse directe en een rechtse hoek later keert de rust terug in Bar Royal Mansour. Badr Hari heeft de situatie weer onder controle.

“Ik moet gaan,” zegt hij op een manier die geen tegenspraak duldt. Hari steekt zijn hand naar me uit en een puur instinctieve reactie zorgt ervoor dat ik wegduik. Hij blijkt me slechts een vriendschappelijk kneepje in mijn nek te willen geven. “Niet zo bangig,” lacht hij. “Heb je soms een slecht geweten?”

Hari heeft een halve jus en bijna een heel glas muntthee laten staan. Ik besluit een slok van de thee te nemen. Heb ik de echte Hari leren kennen? Waarschijnlijk niet. Alleen een straatvechter kan zo diep gaan voor zijn sport en alleen een sporter gaat zo serieus om met zijn straatgevechten, mijmer ik. Pas als ik een ambulance aan hoor komen besef ik dat ik hardop tegen mezelf aan het praten ben.

Ik betaal en geef een flinke fooi en een dikke glimlach aan de serveerster. Ik krijg alleen een zwijgende, walgende blik terug. We zijn niet allemaal voor het geluk geboren.

Badr dronk jus (1,95) en muntthee met een rietje (2,75).
TIJM bestelde een zak met ijsblokjes (gratis, met excuses voor het ongemak).

Geef een reactie

Het e-mailadres wordt niet gepubliceerd. Vereiste velden zijn gemarkeerd met *