Studentencolumn: Nischa – Voor(oor)delen

In het kader van Maatschappelijk Verantwoord Ondernemen, stelt TIJM Magazine maandelijks één pagina geheel ter beschikking aan studenten van het Van Olphen Instituut in Nieuwegein. Het werk van de studenten wordt zonder tussenkomst van de redactie doorgeplaatst in het kader van het leerwerktraject ‘Doortijmen!’. Deze keer: Nischa al-Baghindra, eerstejaars Journalistiek en Verzorging.

Voor(oor)delen

Nischa4
Foto: Leroy Haverberg, eerstejaars Crossmediale Vrijetijdsstudies.

“Mooie columns heb je!”
“3 spelfouten, 2 puike jetsers en 1 goed punt..”
“Publiceer méér maar zonder profielfoto zou ik zeggen. Leidt af.”
“Misschien moet ze kleding aanschaffen wie weet wordt ze serieus genomen.”
“Goede column! Wil je een keer bami goreng bij me komen eten?”

Dit is slechts een greep uit de vele, vaak sexistische reacties die ik op mijn eerste column voor TIJM ontving. Het is iedere keer hetzelfde liedje: omdat ik er leuk uitzie, denken Nederlandse mannen dat ze me als een stuk haram vlees mogen behandelen. De inhoud van mijn bh is helaas nog steeds belangrijker dan die van mijn column. Moet ik me dan misschien anders gaan kleden? Hooggesloten, alles verhullende soeptruien gaan dragen? Zal ik geen make-up meer opdoen? Mijn haar verbergen? Zouden de heren me dan wél serieus nemen? (Haha, ze wil serieus genomen worden! hoor ik enkele bronstige, vroegkalende, bierdrinkende lezers die waarschijnlijk op de PVV stemmen alweer denken.) Maar wacht eens… zijn dat niet vaak dezelfde reaguurders die juist schande roepen van hoofddoekjes en burka’s? Als het op vrouwen aankomt, houden veel Nederlandse mannen er een nogal dubbele moraal op na.

Aan al die heren die mijn vorige column niet zonder zweethandjes hebben kunnen uitlezen kan ik alleen maar een advies meegeven: wilt u niet afgeleid worden door het uiterlijk van de schrijver, leest u dan vooral Bas Heinen of Youp van ’t Hek. Vooral die laatste schijnt erg libidoverlagend te werken.

Op het Van Olphen Instituut, waar ik studeer is het al niet anders. Er loopt hier iemand rond, ik zal hem Meneer B. noemen, die afgelopen Valentijnsdag toen ik tijdens de pauze buiten een sigaretje stond te roken ineens met een kaart voor me stond. Zo’n goedkope, treurige kaart van de buurtsuper met slechtgetekende hartjes, ballonnen en twee konijntjes erop. Toen ik het papieren gedrocht opende en de voorgedrukte tekst las – My Bunny Valentine! – stond B. hevig zwetend tegenover me, zijn vieze tanden nerveus naar mij toe lachend, alsof zijn vlezige lippen de jas waren waarachter enkel bruine en gele potloodstompjes gevent werden. “Als je wilt kunnen we het vanmiddag bij mij thuis even over je scriptie hebben.” was het even ongeloofwaardige als smerige voorstel. Dat Meneer B. niet mijn scriptiebegeleider is (hij is concierge) is tot daaraan toe, maar om me tijdens mijn welverdiende pauze lastig te vallen met schoolzaken vind ik werkelijk niet kunnen. Ik heb vriendelijk bedankt en ben het incident gaan melden bij mijn mentor, die geen tijd voor me had, maar me wel uitnodigde om er ’s avonds thuis bij hem over te komen spreken. Hoe dat gesprek verliep doet er nu even niet toe, maar in ieder geval heb ik een 9 voor mijn scriptie gekregen.

Op dit moment sta ik voor al mijn vakken gemiddeld een 8 of 9 en de heren docenten zijn, als ik ze mag geloven, zeer tevreden met mijn vorderingen. En dan moet je je als mooie, jonge vrouw dus tegen allerlij vooroordelen gaan verweren. Alsof ik niet beauty AND brains zou kunnen hebben?! Moet ik me, aangezien ik borsten heb, misschien bezig houden met ondervoedingsproblematiek bij zuigelingen in de Derde Wereld? Zou ik omdat ik ze draag alleen maar over Louboutins mogen schrijven? Mag ik me omdat ik van etnische afkomst ben wellicht niet intereseren voor Haagse zaken?

Is het heel vreemd dat ik misschien als titel voor mijn scriptie Context in political communication. Measurement and effects on political behaviour” heb gekozen?

Volgens mijn (mannelijke) studiegenoten wel. Dat mijn oorspronkelijke titel “Why politicians always have grey suits on. A study of clothes from ministers.” was en dat ik die met een beetje hulp van mijn mentor heb bijgevijlt, maakt me meteen verdacht. Als ik op donderdagavond in cafe het Nieuwegeintje ben, komen dezelfde fijne klasgenoten die achter mijn rug staan te roddelen in mijn gezicht slijmen met zoete woorden, die hun naar brak bier walmende adem niet kunnen verhullen.

Zoals mijn moeder altijd zegt: “Adomam vo tsjivek tabisch hala’m vo baäl tizu’le, tsa büshür lai adom be’erev beschlom’ha tsoe.”, hetgeen in het Nederlands vertaalt ongeveer neerkomt op: “Vliegen komen op zowel zoete honing als rotte vis af, maar enkel mannen nemen de geur van beiden aan.”

Nischa al-Baghindra is eerstejaars student Journalistiek en Verzorging aan het Van Olphen Instituut in Nieuwegein. Haar eerste column voor TIJM Magazine leest u hier.

Studentencolumn: Nischa al-Baghindra

In het kader van Maatschappelijk Verantwoord Ondernemen, stelt TIJM Magazine maandelijks één pagina geheel ter beschikking aan studenten van het Van Olphen Instituut in Nieuwegein. Het werk van de studenten wordt zonder tussenkomst van de redactie doorgeplaatst in het kader van het leerwerktraject ‘Doortijmen!’. Deze keer: Nischa al-Baghindra, eerstejaars Journalistiek en Verzorging.

Gastcolumn

Nischa4
Foto: Leroy Haverberg, eerstejaars Crossmediale Vrijetijdsstudies.

In Nederland mag iedereen een mening hebben en als je die mening maar lang genoeg ventileert, word je vanzelf wel een keer gevraagd om ergens een gastcolumn te schrijven. Maar wee je gebeende als je als gast van de vrijheid gebruik maakt om tegen de ruif te schoppen.

Het woord gastcolumn staat niet in de Dikke Van Dale, vandaar dat ik de woorden ‘gast’ en ‘column’ apart heb opgezocht. Volgens de Van Dale is een gast onderandere ‘iemand die op bezoek is’. Een column is ‘een regelmatige bijdrage aan een krant, tijdschrift of site met een bijzondere eigen inhoud.’

Hieruit zou dus kunnen volgen, dat een gastcolumn een regelmatige bijdrage aan een krant, tijdschrift of site met een bijzondere eigen inhoud is van iemand die op bezoek is. En dat kan dus niet, want ik ben door TIJM gevraagt om éénmalig een bijdrage te leveren als gastcolumnist. Dat maakt mij dus iemand die op bezoek is én een regelmatige bijdrage met een bijzondere eigen inhoud leverd!

Zo voelt het eigenlijk al dit hele propedeusejaar aan de opleiding Journalistiek en Verzorging aan het Van Olphen Instituut in Nieuwegein. En misschien wel al mijn hele leven in dit samenleving. Ik heb als jonge studente van niet-westerse afkomst (mijn ouders kwamen naar Nederland toen ik 4 was) voortdurend het idee dat mij aan de ene kant gevraagd wordt om een regelmatige bijdrage met een bijzondere eigen inhoud te leveren, terwijl mij tegelijkertijd steevast duidelijk word gemaakt, dat ik toch slechts op bezoek ben.

Ik merkte dit bijvoorbeeld onlangs tijdens de Zwartepieten discussie, toen men op school vroeg hoe ik hier als nieuwkomer tegenaankijk. Ik vertelde dat ik als kind enorm moest huilen toen ik voor het eerst werd geconfronteerd met die rare, zwartgeschminkte paljassen, omdat ik dacht dat het ‘Bok Yehudam’ waren, een soort kwade sprookjesfiguren waarmee kinderen worden banggemaakt in mijn geboortestreek. Ik was als de dood dat die vreemde wezens met zwarte krullen het op mijn gouden oorbellen hadden voorzien en me in de zak mee naar hun ‘synagom’ of rovershol zouden meenemen. Begrijpelijke kinderangsten. Maar sindsdien ben ik dus voor sommigen een paria en word mij verweten een xenofobe anti-semiet te zijn. Hetzelfde geld voor de vreselijke gruweldaden die door Islamitische Staat worden gepleegd. “Wat vindt jij daar nu van Nischa, wat er allemaal gebeurt, uit naam van jou geloof?” Vroeg een docent mij laatst tijdens de les cultuurgeschiedenis. Toen ik antwoordde dat wij van huis uit Zoroastriërs zijn, schudde hij meewarig het hoofd en ging hij verder met het onderwerp apologetiek. Arrogantie als panachee tegen onkunde?

Ik spreek mijn moedertaal helaas niet zo goed als ik zou willen, maar één spreekwoord ken ik uit mijn hoofd en wil ik graag met u, bevooroordeelde zeer waarschijnlijk autochtone mannelijke lezer van middelbare leeftijd delen: “Tsach olai betsi ba’arom, da m’sjoela müzêrbet tabukla kütü. Çot am al madir tabuk.” Ofwel, vrij vertaald: “Het is niet de gast die de gastheer laat zien hoe vuil zijn kippenhok is. Het zijn zijn kippen.”

Nischa al-Baghindra is eerstejaars student Journalistiek en Verzorging aan het Van Olphen Instituut in Nieuwegein.