Nederland in de ban van EK Ruifbal

Eindelijk mogen de bilbeschermers om en de ruifpalen uit het vet. Vrijdag a.s. (10 juni) begint het EK Ruifbal 2016 in Tórshavn op de Faroër Eilanden. En ja – al is het stiekem – mogen we eindelijk hopen op een succesje. Met het behalen van het EK hebben de Oranjeruivers het debacle van het WK 2011 in ieder geval weggepoetst. Ruif, Holland, ruif!
Lees verder Nederland in de ban van EK Ruifbal

Andere TIJM Sport: Bruine Bor – De Nederlandse Tourwinnaar die niemand wil kennen

Nederland kent twee officiële winnaars van de Tour de France: Jan Janssen en Joop Zoetemelk. Bijna niemand weet dat ons land nog een derde Tourwinnaar heeft voortgebracht. In 1943 stond Bor van de Capelle als eerste Nederlander met de gele trui in Parijs. Hij kreeg de trui uit handen van niemand minder dan Adolf Hitler. Vandaag in Andere Tijm Sport: Bruine Bor; een verzwegen wielerlegende.

hitlerparis

Bor van de Capelle werd in 1922 geboren in het Zeeuwse dorp Bocheldijke als enige zoon van de melkboer. Als enige officiële zoon van de melkboer; boze tongen beweren dat in het Bocheldijke van de jaren ’20 zeker vijftien halfbroertjes en -zusjes van Bor rondliepen. Vader Bernd van de Capelle zou in die jaren regelmatig tussen de melkflessen van de Bocheldijkse huisvrouwen hebben gelegen.

De Van de Capelle’s leefden in bittere armoede. Bor moest dan ook al vroeg aan de slag in de zaak van zijn vader. Op zijn zesde reed hij met een fietskar vol melkbussen langs omliggende boerderijen. Terwijl vader Bernd de inwoners van Bocheldijke van melk en andere gemakken voorzag, was Bor verantwoordelijk voor het complete buitengebied. In de Provinciaal Zeeuwse Courant zou hij daar later over zeggen: “Het was stoempen. Dag in, dag uit; regen, wind of hittegolf; met een kar vol melk langs Hoedekenkerke, Kwadendamme en Oud-Sabbinge. Ik vond het heerlijk.”

In het stugge Zeeuwse dorpje wist iedereen van de strapatsen van Bernd van de Capelle, maar niemand sprak erover. En niemand sprak met Bor. Hij werd met de rug aangekeken. Voor Bor was het dan ook een verademing om er met zijn fiets op uit te trekken. In de omliggende dorpen was hij een graag geziene gast. Daar werd de kiem gelegd voor zijn avontuurlijke instelling. Bor wilde meer van de wereld zien dan Bocheldijke. Sterker nog: Bor wilde meer van de wereld zien dan Bocheldijke, Hoedekenkerke, Kwadendamme en Oud-Sabbinge.

Die kans kreeg hij in de zomer van ’37. Bor leverde melk bij Slagerij Smils in Oud-Sabbinge en deed zich zoals elke week tegoed aan een flink stuk osseworst, toen de oude Smils hem een krantenknipsel toeschoof. Het was een aankondiging voor het criterium van Zelzate, een plaatsje net over de Belgische grens. Slager Smils, een gewiekste Zeeuwse middenstander, zag kansen. Hij zag Bor met de week harder aan komen fietsen. Hij wist dat er in die stugge Zeeuwse jongen met die kromme benen en dat rossige haar een renner verscholen zat. Smils betaalde de inschrijving en Bor zou met een trui van de slagerij aan de wedstrijd deelnemen. Smils had de trui alvast laten maken. “Slagerij Smils – Vlees voor elk wat wils,” stond erop.

Drie weken later stond Bor mét zijn trui groot in de Provinciaal Zeeuwse Courant onder de kop: “Zeeuw zoeft door Zelzate”. Met groot machtsvertoon had Bor het criterium van Zelzate op zijn naam geschreven. Een renner was geboren.

Bor van de Capelle werd opgenomen in Twerking Racing Team, de wielerploeg van Eddy Knopper, op dat moment de bekendste en meest professionele wielerploeg van Nederland. Hij nam slagerij Smils mee als sponsor. Bor stapte uit de zaak van zijn vader en ging bij Smils werken. Door de bekendheid van Bor en daarmee ook van de slagerij kon Smils nu tot ver over de grens zijn vlees kwijt. Bor fietste met zakken vol karbonades van Domburg tot Gent en weer terug. In zijn vrije tijd leerde hij van Eddy Knopper de fijne kneepjes van het coureursvak.

Tour de France 1939
In 1939 mocht Bor voor het eerst mee naar de Tour de France. Knopper nam hem mee om te knechten voor Cyril de Boezelaere, een vrolijke Vlaming met een granieten kop en een ferme sprint in de poten. Anoniem reed Bor zijn rondjes. De Boezelare kwam in de sprint telkens tekort tegen Henri Perrier, oftewel ‘Monsieur Vitesse’. Eddy Knopper had zijn team helemaal samengesteld rond de sprint van De Boezelaere, maar de Belg leek het belangrijker te vinden om de nacht met de rondemiss door te brengen, dan om met haar op het podium te staan.

Zo zou De Boezelaere de start in Saint-Quentin de Abbeville hebben gemist, omdat hij een nacht met de rondemiss in een hooiberg had gelegen. Eddy Knopper zag bij toeval de fiets van De Boezelaere tegen een hooischuur staan en moest de Belg hoogstpersoonlijk uit het hooi trekken en op zijn fiets zetten. Drie kwartier na de officiële start vertrok Cyril de Boezelaere uit Saint-Quentin de Abbeville. Door beulswerk van Bor van de Capelle kon De Boezelaere weer aansluiten bij het peloton, maar opnieuw waren de kansen in de sprint verkeken.

Twerking Racing Team vertrok uiteindelijk gedesillusioneerd en zonder noemenswaardige prestaties uit de Tour. Bij Bor was echter een vlammetje gaan branden. Hij had genoten van het Franse land, van het avontuur en van de adoratie van het Franse publiek. Terug in Oud-Sabbinge klonken de aanmoedigingen van de Fransen nog door in zijn kop: “Allez, allez!”.

Bor trouwde met Antje Smils, de dochter van slager Smils, en trainde zich een ongeluk voor de Tour van 1940. In het voorseizoen won hij alle criteriums waar hij aan de start stond en Eddy Knopper deed wat hij moest doen: hij maakte Bor van de Capelle kopman van Twerking Racing Team. Bor moest in de voetsporen treden van mannen als Jean-Luc LeGrand, Ottavio Costacurta en Andreas Leichtharterspitzel. Bor moest de Tour winnen. Bor moest geschiedenis schrijven.

Maar toen sloegen de bommen in en het noodlot toe; de Tweede Wereldoorlog brak uit.

1940 – 1942
De nazi’s begonnen aan hun verwoestende veldtocht door Europa en de Tour de France werd op het laatste moment afgeblazen. Bor zat in zak en as. Hij was sterker dan ooit en klaar om de geschiedenisboeken in te gaan, maar dat werd hem door de oorlog onmogelijk gemaakt.

Bor bleef trainen. Zelfs als het gehuil van de wind werd overstemd door het gehuil van de bommen van de Luftwaffe bleef hij trainen. Maar ook in 1941 werd de Ronde van Frankrijk niet verreden.

In 1942 leek er plotseling toch een kans te ontstaan. De nazi’s hielden Europa in een ademstokkende wurggreep, maar zij zagen ook dat de heroïek van het fietsen een uitstekend uithangbord kon zijn voor hun politieke ideeën. In 1942 zou de Tour de France wel verreden worden, maar nu georganiseerd door de Duitsers. Bor van de Capelle hield zich niet met politiek bezig, maar nu maakte zijn hart een vreugdesprongetje.

Toen in juli 1942 het peloton uit Straatsburg vertrok, was Bor van de Capelle echter niet van de partij. Ploegleider Eddy Knoppers had kort voor de start zijn Twerking Racing Team uit koers gehaald, omdat hij geen ´danseres op een moffenfeestje´ wilde zijn. Bor van de Capelle moest met lede ogen toezien hoe de matige renner Jean-Claude Traîtreur van de ploeg Krupp Stahl-Dunlop in Parijs werd gehuldigd. Bor besloot dat hij niet nog eens zo´n kans door de neus liet boren.

1943 – Geel met een bruin randje
In 1943 organiseerden de Nazi´s opnieuw de Tour de France in bezet Frankrijk. Eddy Knoppers was inmiddels in Polen te werk gesteld en zijn Twerking Racing Team was ontmanteld. Bor van de Capelle trok zijn oude wielertrui weer uit de kast en besloot zich als enige lid van de Ploeg Slagerij Smils in te schrijven voor de Tour.

Bor legde de 500 kilometer van Oud-Sabbinge naar startplaats Heidelberg op de fiets af. Daar stond hij dan eindelijk als kopman (en enige lid) van Ploeg Slagerij Smils aan de start van de Ronde van Frankrijk tussen mannen als Felipe ‘Pipo’ Mondevino (Team Bianchi), Karst ‘Knaubi’ Knaubenfeller (Radsport Manschaft Volkswagen) en natuurlijk Jean-Claude Traîtreur (Krupp Stahl-Dunlop).

Nu hij eindelijk een gooi naar het geel kon doen, was Bor niet van plan zich bij welke tegenslag dan ook neer te leggen. Hij smeet met zijn krachten. Terwijl zijn concurrenten zich in het wiel van hun ploegmaats nestelden, reed Bor dagenlang met de kop in de wind. Tijd voor linkeballen was er niet. Bor had een missie te vervullen.

De Duitse Tourorganisatie zag het liefst ‘hun’ Knaubi winnen en deed er alles aan om Bor op achterstand te zetten. Bor moest zijn eigen onderkomen regelen en betalen, terwijl Karst Knaubenfeller overnachtte in de beste hotels van Frankrijk. En waar teams als Radsport Manschaft Volkswagen en Krupp Stahl-Dunlop tientallen verzorgers langs de kant had staan bij de ravitaillering, daar moest de kopman van Ploeg Slagerij Smils zelf zijn pannekoeken meenemen op zijn rug.

In de eerste week was Bor bovendien regelmatig slachtoffer van een valpartij. Achteraf hebben renners verklaard dat zij werden betaald om Van de Capelle van zijn fiets te rijden, maar wat ze ook probeerden, Bor stapte telkens weer op. Een gebroken middenvoetsbeentje, een ingeklapte long, drie gebroken ribben en een verbrijzelde heup speelden hem die eerste week parten.

Toch wist Bor van de Capelle zich in het peloton te handhaven. Ze kregen hem maar niet uit het wiel. Om beurten reden Traîtreur en Knaubenfeller weg, maar telkens was het Van de Capelle die ze terughaalde. Gek werden ze van hem.

De geslepen Pipo Mondevino gooide het over een andere boeg. Hij demarreerde uit het peloton en sloeg een gaatje van een paar honderd meter. Eenmaal uit het zicht dook hij met fiets en al achter een schuur, waar hij wachtte tot het peloton hem voorbij raasde. Hij sprong weer op de fiets, sloot achterin het peloton aan en bleef daar de rest van de dag zitten.

De kopmannen dachten dat Mondevino nog vooruit was en lieten – zoals zo vaak – de achtervolging aan Bor van de Capelle over. Bor sleurde bijna de volledige etappe (363 kilometer) op kop van het peloton, maar wist de excentrieke Italiaan maar niet in het vizier te krijgen. De laatste vijftig kilometer gingen de ploegen van Traîtreur en Knaubenfeller zich met de achtervolging bemoeien, maar ook zij kregen het denkbeeldige gat niet kleiner. Mondevino had de hele dag achter in het peloton zijn krachten kunnen sparen en reed tien kilometer voor de finish lachend bij de rest weg en pakte nog bijna drie minuten voorsprong en het geel. De droom van Bor leek op een nachtmerrie uit te draaien.

In de Alpen kwam de ommekeer. Bor was als geboren en getogen Zeeuw bepaald geen klimspecialist en wist dat hij de versnelling en soepele tred van jongens als Traîtreur en Mondevino in de bergen niet bij zou kunnen houden. Hij besloot de koers vanaf de start hard te maken. Nog voor de eerste berg gaf hij er een flinke snok aan. Het peloton liet hem begaan; ze dachten hem op de flanken van de Mont Bouton de Diable wel bij te kunnen halen. De Mont Bouton de Diable is een slapende vulkaan die bekend staat als de gevreesde ‘Ruftende Duivel’. Met zijn 3400 meter hoogte en gemiddeld stijgingspercentage van bijna 12 procent het dak én scherprechter van deze Tour.

Aan de voet van de Bouton de Diable reed Bor inmiddels bijna zes uur alleen op kop en had hij een voorsprong opgebouwd van 14 minuten. Hij was al aan het eind van zijn krachten, maar moest de duivel nog bedwingen. Tegen beter weten in sleepte hij zich door de eerste bochten. Met zijn nauwelijks herstelde heup en klaplong hing hij scheef op zijn fiets. Het gebroken middenvoetsbeentje in zijn rechtervoet, maakte dat bijna alle kracht uit zijn linkerbeen moest komen. De toeschouwers gaven geen cent voor hem. Met zijn wijd opengesperde ogen, het spuug in lange gele draden uit zijn mond, leek het of de duivel hém aan het bedwingen was, in plaats van andersom.

Halverwege de berg, de begroeiing werd allengs minder, net als het zuurstofpercentage in de lucht, was het peloton hem al tot op minder dan twee minuten genaderd. Het einde van Bor leek nabij. Het einde van zijn vlucht, het einde van zijn Tour, ja, het definitieve einde van Bor van de Capelle leek zelfs nabij.

Maar daar op de flanken van de Ruftende Duivel, ergens op dat stoffige maanlandschap dat doorging voor de Mont Bouton de Diable, wist Bor nog een laatste beetje energie uit zijn gehavende tenen op te diepen. Sommigen zeggen dat Van de Capelle op de flanken van de Diable zijn ziel heeft verkocht aan de duivel. Zelf verklaarde hij dat de ijle lucht hem bedwelmde, dat hij door het zuurstoftekort hallucineerde en de pijn niet meer voelde. Het resultaat was in ieder geval dat Bor van de Capelle harder de Bouton de Diable op reed dan iemand ooit had gedaan. En harder dan iemand ooit nog zou doen (na 1947 is de Mont Bouton de Diable niet meer opgenomen in de Tour de France vanwege het gevaar voor de renners).

Bor van de Capelle bedwong de duivel uiteindelijk in 47 minuten en 34 seconden. Op de top klokte hij een voorsprong van 16 minuten op zijn directe concurrenten. Hij pakte het geel en is volgens de overlevering op het podium ineen gezakt. Hij heeft daar, in de open lucht bij een temperatuur van 4 graden celsius, de nacht op het podium doorgebracht. De volgende dag is hij weer opgestapt. Vastbesloten het geel om zijn knokige schouders niet meer uit handen te geven.

De laatste dagen reed hij als in een roes naar Parijs. Hoe vaak zijn concurrenten ook demarreerden, Bor pakte ze allemaal terug. ‘Knaubi’ Knaubenfeller won de massaspurt op de Champs-Élysées (volgens de neutrale toeschouwers dankzij een wilde actie van een auto van de Duitse Tourorganisatie), maar Bor van de Capelle werd de winnaar van de Tour de France van 1943. De eerste Nederlandse winnaar van de Tour de France.

Na de Tour
Op de Champs-Élysées kreeg Bor het geel uit handen van Adolf Hitler, onder toeziend oog van de voltallige top van Nazi-Duitsland. Bor hield zich niet bezig met politiek, maar dit vond hij wel mooi. “Die Duitsers wisten in ieder geval hoe je met sporthelden om hoort te gaan.”

Dat jaar werd hij door heel het Derde Rijk gereden. Overal moest hij optreden als toonbeeld van Arische kracht en heldenmoed. De kortstondige roem deed hem goed, maar in eigen land werd hij uitgekotst. ‘NSBor’ werd hij genoemd, of ‘Bruine Bor’.

In 1944 hadden de Duitsers wel iets anders aan hun hoofd dan een wielerronde organiseren. In 1945 en ’46 gold hetzelfde voor de Fransen. Toen in 1947 de Tourorganisatie besloot om weer een officiële Tour de France te houden, werd tevens besloten om de ‘Tour de Fascisme’ van 1943 ongeldig te verklaren. Bor van de Capelle werd uit de boeken gehaald en mocht niet meer koersen in het na-oorlogse Frankrijk.

Gebroken keerde hij terug naar Oud-Sabbinge. Daar nam hij de slagerij van zijn schoonvader over en raakte nooit meer een fiets aan. In de slagerij hing tot zijn dood de gele trui met de tekst: “Slagerij Smils – Vlees voor elk wat wils”. In het dorp hadden ze het echter over: “Slagerij Bruine Bor – Vlees met een Hitlersnor”.

Bor van de Capelle stierf eenzaam en berooid in 1953 in zijn woonplaats Oud-Sabbinge. Hij liet een vrouw na en 1200 kilo vlees.

Meer Andere TIJM Sport leest u hier.

Andere Tijm Sport: Sybrand Wybersma, schaatsmakelaar in Equatoriaal-Guinea

Leestijd: (WR) Sjoerd Dubbelman – 14.07,53 op een laaglandbaan

Andere Tijm Sport Longread: Onze man in Afrika. Sybrand Wybersma, schaatsmakelaar in Equatoriaal-Guinea.

Albertville
Een trotse Mpasa Mkumbu toont zijn bronzen plak na de 8000 meter full cross halve baan op de Olympische Spelen in Albertville. Rechtsachter Mkumbu met snor: Atie Scheenman.

Dit is het vergeten verhaal over hoe een Friese oud-schaatser, een ambitieuze Afrikaanse president en een corrupte schaatsbond met een beetje wijsheid, veel geluk en nog meer oliedollars Olympisch schaatsbrons wisten te veroveren.

Equatoriaal-Guinea is een voormalige Spaanse kolonie in West-Afrika met bijna twee miljoen inwoners. Bijna dertig jaar geleden, als dit verhaal zich afspeelt, telt de bevolking van het kleine landje amper vierhonderdduizend zielen. Zwemmen en uiteraard voetbal zijn de nationale sporten. Een sport die je in dit tropische land als laatste zou verwachten is halve baanschaatsen. Of schaatsen überhaupt. Toch kende Equatoriaal-Guinea in de late jaren ’80 en vroege jaren ’90 van de vorige eeuw, mede dankzij de inspanningen van een Nederlandse schaatscoach een heuse Olympische halve baan schaatsploeg.

Calgary 1988
Het is 28 februari 1988. In het Canadese Calgary vindt de slotceremonie van de vijftiende Olympische Winterspelen plaats. Het zijn vanuit Nederlands perspectief gezien de Spelen van Yvonne van Gennip geworden. De Koningin van de Schaats verovert maar liefst drie keer goud en via de televisie viert de wereld het feestje van de schaatsgekke Oranjefans in de Olympic Oval mee.

7200 kilometer oostelijker, in het Friese Bakkeveen, staat een toegewijd schaatscoach geduldig de stalen Noren van zijn pupillen te slijpen. Sybrand Wybersma (Achlum, 1953) heeft geen oog voor de gebeurtenissen in het verre Calgary.

In niets doet ‘De Vos uit Achlum’ nog denken aan de succesvolle sportman die hij nog maar een decennium geleden was, toen hij als eerste Nederlandse halve baanschaatser met een commerciële ploeg internationale successen boekte. Samen met schaatsvrienden Atie Scheenman, Bart Huigvel en Berend Stamstra besluit Wybersma om niet langer namens de bond voor Nederland uit te komen, maar onder eigen vlag te gaan schaatsen. “In die dagen werd alles door het bondsbestuur beslist.” Vertelt Wybersma. “Op de maandag voor een belangrijk toernooi kwamen schaatsers en bestuur op de Valkhof in Utrecht bijeen en werd na het opgooien van een muntje op de achterkant van een sigarenkistje opgeschreven wie er in welke wedstrijd zou uitkomen. Je kunt je het nu niet meer voorstellen, maar die jongens deden het schaatsen er gewoon bij. Atie was melkveehouder, Bart postbode, Berend gaf les op een LTS, ga zo maar door.” De vier vrienden vinden dat het zo niet langer kan, dat het anders moet. Maar hoe?

Snor

Na een zomerstage in Milwaukee in juli 1979, waar Wybersma op uitnodiging van de legendarische halve baanschaats goeroe Burt Oldenwater van dichtbij meemaakt hoe in de VS op commerciële wijze sportteams worden gerund, besluit hij de sprong in het diepe te wagen. “Die Amerikanen liepen werkelijk jaren op iedereen voor.” Aldus Wybersma. “Zij hadden bijvoorbeeld al aerodynamische schaatspakken, terwijl wij in oude nylons van onze vrouwen op het ijs stonden!” Terug in Nederland weet de Achlummer zijn vrienden snel te overtuigen en in het diepste geheim wordt contact gelegd met eventuele sponsoren. Broodmerk King Corn wil wel, maar stelt onacceptabele eisen in ruil voor steun. Zo moeten de schaatsers contractueel beloven tijdens trainingskamp en toernooien enkel het brood van de sponsor te eten. Als Wybersma daarop vraagt of hij dan wel een volledige ingrediëntenlijst mag inzien, haakt de warme bakker af.

Uiteindelijk ziet frisdranken fabrikant Vrumona wél brood in het idee van de vier en op 1 september 1979 maken de mannen tot afgrijzen van de bond hun plannen wereldkundig. Onder de naam Snor, naar het nieuwste drankje van de sponsor, zullen de heren voortaan voor Nederland uitkomen. Met een commerciële ploeg komt er sponsorgeld. Veel sponsorgeld. Vrumona stopt het voor die tijd astronomische bedrag van 12.500 gulden in de ploegkas. Met dat geld kunnen de schaatsers deugdelijk materiaal kopen, professionele accomodaties afhuren, trainers betalen en bovendien zijn ze verzekerd van een inkomen, zodat ze zich volledig op het halve baanschaatsen kunnen richten.

De successen laten niet lang op zich wachten: in januari 1980 wordt Sybrand Wybersma als eerste Nederlander ooit, Europees allround kampioen halve baan, Huigvel wordt derde. De Snorremannen, zoals ze inmiddels worden genoemd, moeten in Heerenveen enkel de Noor Sven Johann Køndrål tussen zich in dulden. Maar niet voor lang. Tijdens de Olympische Winterspelen in Lake Placid, een maand later is het podium geheel voor Snor, als Wybersma wederom de hoogste trede mag beklimmen, Huigvel ditmaal het zilver verovert en Scheenman brons pakt. Er ontstaat in Nederland en ver daarbuiten een ware Snormania.

Reclame voor sponsor Snor. met Sybrand Wybersma (links) en Bart Huigvel.
Reclame voor sponsor Snor. met Sybrand Wybersma (links) en Bart Huigvel.

Bij aankomst op Schiphol worden Wybersma en zijn kompanen door een uitzinnige menigte verwelkomd. Met een luid “Heya die Snor! Die zit wel snor!” worden de kampioenen tijdens de huldiging in Amsterdam toegezongen op het Museumplein. Burgemeester Polak laat zich zelfs verleiden tot een stukje droogschaatsen met de heren. Frits van Buurma, Olympisch attachée destijds merkt op: ‘Dat zit wel snor.’ Een term die die winter overal in het land op mutsen en sjaals zal opduiken.

Een rondvaart op de grachten wordt vanwege het gure weer afgelast, maar de Snorremannen worden een dag later wel warm ontvangen op Paleis Soestdijk, waar zij door Koningin Juliana in de Ridderstand worden verheven.

ADS Bank
Helaas is de Snor ploeg evenals het naamgevende drankje geen lang leven beschoren. Onenigheid met de sponsor over de uitkering van premies, gemor van de drie anderen als Wybersma meer en meer het gezicht van Snor in de media wordt en opnieuw een conflict met Vrumona over Tjolk, de mutssponsor van Bart Huigvel, doet de mannen besluiten dat er geen tweede seizoen voor Snor in zit.

Wybersma probeer het opnieuw met een jonge ploeg, waarvan ondermeer een dan pas 19 jaar oude Tjalling de Boer deel uit maakt. Hij gaat met de ADS Bank in zee als nieuwe geldschieter; een desastreuze beslissing. ADS gaat nog geen half jaar later, na de beruchte Antigua-affaire failliet. Wybersma blijft berooid achter met een ploeg vol ambitie, maar zonder sponsor. Voorlopig wil de curator van de bank de schaatsploeg ontzien met een overbruggingskrediet tot het NK in januari van het komend jaar, 1981. Maar als er vlak voor Kerst in het Algemeen Dagblad een stuk verschijnt waarin anonieme bronnen rond Wybersma reppen van dopinggebruik bij de ADS ploeg valt het doek definitief. Sybrand Wybersma beëindigt per direct zijn schaatscarrière, vervalt al snel in vergetelheid en wordt trainer van de pupillen van DKSC ’54 in Bakkeveen.

Telefoontje
En dan komt er begin maart 1988 ineens een telefoontje van de secretaris generaal van het Olympisch Comité van Equatoriaal-Guinea. Of Sybrand diezelfde week nog op persoonlijke uitnodiging van president Obiang in Malabo wil komen praten over een zakelijk voorstel. Wybersma zegt daarover nu: “Ik dacht dat een van de jongens een geintje uithaalde, dus ik speelde het spelletje mee: Yes mister president, of course mister president.” Maar al snel wordt duidelijk dat het allesbehalve een grap is en twee dagen later zit Wybersma in het protserige presidentiële paleis in Malabo tegenover de president en diens staf. Teodoro Obiang Nguema Mbasogo, regeert Equatoriaal-Guinea sinds hij in 1979 via een staatsgreep aan de macht kwam met harde hand en is op zoek naar legitimatie van zijn regime. In de eerste jaren van zijn presidentschap wordt geprobeerd om de harten van volk en respect van de buitenwereld te winnen via sportieve prestaties van het nationale voetbalteam. Helaas zonder veel succes. De voetbaldwerg weet pas in 1985 zijn eerste gelijkspel te behalen tegen de Centraal Afrikaanse Republiek. De meeste wedstrijden worden doorgaans echter met grote cijfers verloren. ‘Las Super Arañas’ zoals de president zijn voetballers liefkozend noemt, worden al snel het lachertje van het continent.

Het land is simpelweg te klein en ontbeert de nodige infrastructuur om snel aansluiting met de regionale top te vinden. President Obiang heeft zijn hoop op internationaal sportsucces nog niet opgegeven, maar de bakens worden verzet. Het nationale voetbalteam wordt door de luchtmacht in zee gedumpt en voortaan zal Equatoriaal-Guinea met haar regionale concurrenten alleen nog de strijd aanbinden in sporten die in de grootste delen van het continent niet worden beoefend.

Tijdens de Olympische Spelen valt het oog van de president op het Nederlandse schaatssucces en vanaf dat moment is het duidelijk: schaatsen zal en moet de West-Afrikanen goud opleveren tijdens de Olympische Winterspelen van 1992 in Albertville. Een paar telefoontjes met de Nederlandse schaatsbond – die haar handen niet wil branden aan dit avontuur – leidt ertoe dat de Guineeërs bij Wybersma uitkomen. Wybersma moet hun ‘M’yope barfu barfu wakala’ worden, hetgeen in de oorspronkelijke Fang taal zoveel betekent als ‘witte huttenbouwer die glijdt’. Een onduidelijke verwijzing naar een mythologische figuur uit een oude legende. Het levert hem in de Nederlandse pers al snel de bijnaam De Schaatsmakelaar op.

Tekenen bij het kruisje

Dat Equatoriaal-Guinea met een gemiddelde minimum temperatuur van 22 graden nul wintersportervaring heeft en dat de nationale schaatsploeg behalve in een cocktail nog nooit ijs van dichtbij heeft gezien, mag geen beletsel vormen voor het doel dat de schaatsbond aan de Friesche coach stelt. Minimaal 5 gouden medailles moeten de heren Mpasa Mkumbu en Nguema Mwagambani, twee voormalige voetballers omgedoopt tot ‘De Ontembare IJsvalken Van De Santa Isabel’ op de Spelen gaan veroveren. Per slot van rekening hangt de glorie van de natie en het welzijn van de gezinnen van Mkumbu en Mwagambani er vanaf.

Wybersma heeft zo zijn twijfels, bedankt beleefd voor de getoonde interesse en wenst het staatshoofd veel succes toe bij zijn zoektocht naar een coach. Nadat de tolk deze boodschap aan de president heeft overgebracht, wordt er een bedrag in Dollars op een servetje geschreven en naar de Nederlander toegeschoven. Als de anders zo nuchtere Fries het stuk papier naar de zin van de president iets te lang met open mond bekijkt – “Ik dacht dat hij me zijn telefoonnummer gaf.” – pakt Obiang zijn gouden vulpen en zet er nog een nul achter. Wybersma tekent bij het kruisje en is per direct de eerste Olympische halve baan schaatscoach van een Afrikaans land.

In de weken die volgen stelt Wybersma zijn technische staf samen. Hij doet een beroep op zijn oude Snorvrienden Huigvel en Scheenman. Als er van animositeit al iets was te merken, heeft de verstreken tijd en het weerzien veel oude wonden doen helen en vergeten. De oliedollars van de president doen de rest. Die drie kampioenen van weleer moeten een schaatsnatie van de grond af opbouwen en hebben daar minder dan drie jaar de tijd voor. Het belooft een avontuur uit een jongensboek te worden. Zeker als de mannen al snel kennismaken met de Afrikaanse manier van zaken doen.

Neefje
Op een middag meldt zich in het kantoor van de schaatsbond Roberto, het corpulente neefje van de president. Zijn oom heeft hem een plek in het Olympisch team beloofd en hij dient zich per direct bij de equipe te voegen. Wybersma pakt de telefoon en belt met de secretaris van de president, die hem droogjes te kennen geeft dat het niet aan de coach is om schaatsers te selecteren. Het nationale team is net als het leger, de olie industrie en het weer een zaak van nationaal belang en staat dus onder direct bestuur van de Grote Leider. Als Wybersma protesteert wordt verwezen naar de kleine lettertjes van het door de Nederlander ondertekende servetje. Tandenknarsend gaat de Vos uit Achlum akkoord. Hij eist dat zijn nieuwste aanwinst 50 kilo kwijtraakt, maar Roberto komt de eerste weken alleen maar bij.

Ondertussen blijkt dat de andere twee, Mkumbu en Mwagambani zo hun eigen problemen hebben. Tijdens de eerste training in de zopas aangelegde overdekte ijsbaan, blijkt dat de mannen doodsbang zijn voor ijs. Voordat ze ook maar zijn over te halen de schaatsen onder te binden, dienen er bezweringsrituelen over het ‘agua del diablo’ te worden uitgesproken. Hiervoor moet een medicijnman uit de binnenlanden worden ingevlogen. Het zal niet de laatste keer blijken te zijn dat bijgeloof of plaatselijk gewoontes de sportieve prestaties in de weg staan. Zo moeten schaatsers en technische staf vóór wedstrijden niet alleen een katholieke mis bijwonen, maar dienen de schaatsen te worden gezegend met bloed van een ter plekke geslachte zwarte kip. De Nederlanders raken er aan gewend. Maar ook meer wereldse gebruiken leiden tot oponthoud en irritatie. Het volkslied van Equatoriaal-Guinea, waarin de glorieuze heldendaden van president Obiang worden bezongen duurt maar liefst 12 minuten en dient voor aanvang van officiële wedstrijden, alsook na afloop en voor en na trainingen en vergaderingen of wedstrijdbesprekingen in zijn geheel te worden gezongen. Op straffe van 50 stokslagen.

Kampioen

Roberto Obiang Nguema Mbasog wint het goud op de 1750 meter tijdens de Wereldbeker in Hamme.
Roberto Obiang Nguema Mbasog wint het goud op de 1750 meter tijdens de Wereldbeker in Hamme.

Februari 1991, één jaar voor de Spelen. Equatoriaal-Guinea mag zich inmiddels bij gebrek aan concurrentie Afrikaans kampioen halve baanschaatsen op alle afstanden noemen en is dus sowieso gekwalificeerd voor de Olympische Spelen. De schaatsploeg reist af naar het WK Allround in Lillehammer voor de eerste krachtmeting die moet aantonen waar de mannen van Wybersma internationaal werkelijk staan. Het wordt een groot fiasco. Roberto, die inmiddels niet meer in één vliegtuigstoel past, laat staan in een standaard schaatspak, zakt tijdens de eerste afstand in het Vikingskipet, de 750 meter dubbele cross letterlijk en figuurlijk door het ijs. Mkumbu en Mwagambani brengen het er niet veel beter vanaf. Mkumbu eindigt op alle individuele afstanden als allerlaatste, Mwagambani komt pas op de derde en laatste dag van het toernooi opdagen met aan elke arm een hoogblonde Noorse dame. In zijn eerste optreden, de anderhalve mijl achtervolging doet hij het tot ieders verrassing niet eens zo slecht en weet zelfs een voorlopig derde tijd neer te zetten, maar wordt gediskwalificeerd als hij een schaatster uit Letland in de billen knijpt. Gedesillusioneerd keert het circus terug naar huis, waar de president not-amused is. De Nederlanders krijgen nog één maand de tijd om een aansprekend succes neer te zetten, anders is het einde oefening. Dat succes zal dan van de wereldbekerwedstrijd in het Belgische Hamme moeten komen.

En dan neemt Wybersma een beslissing die een gouden zet zal blijken. Na al die jaren wil hij de ware toedracht aan TIJM Magazine vertellen, temeer daar alle gebeurtenissen inmiddels zijn verjaard. De coach geeft Papa Bagulu, de medicijnman van Mkumbu en Mwagambani die inmiddels deel uitmaakt van de technische staf, een lijst met namen en foto’s van het gehele deelnemersveld en een paar dozijn zwarte kippen.

Bij de ICU, de internationale schaatsbond die ook de dopingcontroles verricht, wordt een bestuurslid uit Qatar tegen betaling bereid gevonden om bloedstalen van alle tegenstanders te leveren. Tijdens de wereldbekerwedstrijd in Hamme, zijn de drie mannen uit Guinea als enige niet geveld door acute diarree en slepen alle medailles in de wacht. Zelfs Robert wint zijn wedstrijd, de 1750 meter in een persoonlijke recordtijd: 14.34,37.

Het blijkt de blauwdruk voor succes tijdens de Spelen een jaar later, waar het deelnemersveld opnieuw op mysterieuze wijze, nu door een hardnekkige hersenvlies-epidemie wordt uitgedund. Enkel een hartinfarct van Roberto, het spoorloos verdwijnen van Mwagambani meteen na aankomst in Frankrijk en een reeks offdays van Mkumbu (onder andere drie diskwalificaties wegens valse starts, een valpartij en een liesblessure) zorgen ervoor dat de medailleoogst wat tegenvalt. Maar met een bronzen medaille eindigt Equatoriaal-Guinea als hoogste Afrikaanse land ooit tijdens Olympische Winterspelen. De president kan tevreden zijn en is dat ook.

Standbeelden van de Geliefde Leider en de Vos uit Achlum in Malabo.
Standbeelden van de Geliefde Leider en de Vos uit Achlum in Malabo.

Sybrand Wybersma woont tegenwoordig met zijn vierde vrouw Svetlana in Marbella en speelt golf. Wie weet waar te zoeken, vindt in Malabo, de hoofdstad van Equatoriaal-Guinea, aan de voeten van het metershoge standbeeld van de Geliefde Leider een beeldje van de Vos uit Achlum.

Atie Scheenman en Bart Huigvel hoeven ook in hun verdere leven geen vinger meer op te tillen. Ze hebben desondanks na een zakelijk conflict geen contact meer met elkaar of met Wybersma.

Mpasa Mkumbu ging na zijn schaatsavontuur weer voetballen en staat tegenwoordig als trainer langs de lijn bij de Spaanse derdeklasser FC Lepe.

Van Nguema Mwagambani is nooit meer wat vernomen.

Roberto ging na zijn hartinfarct op dieet en werd minster van Volksgezondheid, Sport en Oorlog. In 2004 beraamde hij een mislukte coup tegen zijn oom, maar dat bleek een misverstand.

Teodoro Obiang Nguema Mbasogo is nog steeds president van Equatoriaal-Guinea. Na het schaatssucces van zijn land zette Obiang, voetballiefhebber in hart en nieren, alsnog zijn zinnen op voetbalsucces. Onlangs mocht Guinea de Afrika Cup organiseren waarbij het gastland niet onverdienstelijk vierde werd. Van het elftal is na het toernooi niets meer vernomen.

Eerder in Andere TIJM Sport:
De Hink-stap-sprong Olympiade van 1914
Gerard Bakhuys – ruifballegende op krukken

Andere Tijm Sport: De Hink-stap-sprong Olympiade van 1914

Hoe een zandbakincident de Nederlandse neutraliteit in gevaar bracht.

Koningin Wilhelmina arriveert in Eindhoven voor de openingsceremonie en wordt verwelkomd door locoburgemeester Gerardus van Woensel. Uiterst rechts op de foto veldwachter Pieter Sniphaan, verantwoordelijk voor de veiligheid rond de Olympiade.

Het is zaterdag 18 juli 1914. Terwijl regeringen, legers en burgerbevolking in de Europese hoofdsteden zich opmaken voor de Grote Oorlog die tien dagen later zal losbarsten, wordt in Eindhoven de vijfde Hink-stap-sprong Olympiade geopend. In die tijd een evenement van wereldformaat. Ruim 150 hink-stap-sprong-atleten – of zoals ze destijds werden genoemd: stapleten – uit 29 landen reizen af naar de lichtstad, waar Koningin Wilhemina hen in het gloednieuwe Philips Stadion welkom zal heten. Heel Nederland is trots dat ons kleine landje in deze woelige tijden gastheer mag zijn van wat later wel de “laatste vreedzame ontmoeting der grootmachten” zou worden genoemd. Niemand had immers kunnen bevroeden dat deze sportieve krachtmeting wel eens het startschot van de Wereldbrand kon worden. Tijm Magazine wist de hand te leggen op niet eerder gepubliceerd archiefmateriaal, waaruit blijkt dat dit “feescht der stapletiek” ons neutrale landje bijna de Eerste Wereldoorlog in zou sleuren. Slechts door doortastend optreden van de vorstin zelf kon een vroegtijdige escalatie van het conflict op Nederlandse bodem worden voorkomen. Een reconstructie:

Aapmensch 
Het belooft een prachtige zomerdag te worden, die 18e juli. De zon warmt de ontwakende binnenstad van Eindhoven snel op. Karren ratelen op de keien, nog vochtig van de dauw. Krantenjongens proberen hun extra sportbijlagen aan de man te brengen en overal hangt de geur van versgebakken witbrood en gloeiend wolfraam. Aan de strakblauwe lucht is niets te merken van de donkere wolken die zich elders boven Europa samenpakken. Atleten en fans uit alle windstreken weten de Brabantse hoofdstad, die de komende dagen de hoofdstad van de hink-stap-sprong-wereld zal zijn, te vinden. Sommigen hebben dagen, zo niet weken gereisd om hier hun kunsten te komen vertonen, danwel hun favorieten aan te moedigen.

Een negroïde sporter was in 1914 een dusdanige exotische attractie, dat sommige Eindhovense officials dachten zijn huidskleur eraf te moeten spoelen met water
Een negroïde sporter was in 1914 een dusdanige exotische attractie, dat sommige Eindhovense officials dachten zijn donkere huidskleur eraf te moeten spoelen met water

Australië heeft ondanks de oorlogsdreiging een ploeg afgevaardigd. De vier mannen en één vrouw zijn ruim vijf weken per boot onderweg geweest om hier te kunnen schitteren. Voor het eerst doet er een kleurling mee aan de Olympiade. De Brit Johnson Goodweather mag zich in veel belangstelling van het Eindhovense publiek verheugen. Het Eindhovensch Dagblad maakt gewag van het “begeeschterde publiek dat zoo met eigen oogen kwam aanschouwen, welken zonderlingen aapmensch aanstonds tusschen den blanken sportlieden mocht koomen verpoozen.”

Goodweather zal zich sportief revancheren door maar liefst vier gouden medailles te winnen. Het vaak gememoreerde verhaal dat Koningin Wilhelmina bij de medaille uitreiking zou hebben geweigerd om Goodweather de hand te schudden, is een hardnekkig fabeltje. De atleet zou hierover jaren later in een interview met de BBC zeggen, dat majesteit zijn uitgestoken hand waarschijnlijk niet zag aangezien ze plotseling moest zwaaien naar een groep zingende kinderen aan de andere kant van het stadion. Het zou niet de laatste keer zijn dat Wilhelmina tijdens het toernooi de handen uit de mouwen moest steken.

Donderdag 23 juli 1914. Het weer is omgeslagen. Warmte en zon hebben plaatsgemaakt voor typisch Hollands zomerweer: het is grijs en buiig. Dag zes van de Olympiade is inmiddels aangebroken en op het programma staan de halve finales van het koningsnummer van de spelen: de 100 meter heren acht estafette hink-stap-sprong op muziek met stuurman. De Nederlandse heren, met in hun gelederen onder andere voorstapper Gert Hein Donner, de oudoom van de huidige vicepresident van de Raad van State, hebben knap de halve eindstrijd bereikt ten koste van België. De Derby der Lage Landen heeft echter wel zijn tol geëist: de sterspeler van het Nederlandse team, hinkachter Douwe Jelbersma heeft aan de ontmoeting met onze Zuiderburen een zware bovenbeenblessure overgehouden en kan niet uitkomen in de halve eindstrijd. Het zal een beslissende aderlating betekenen. In de stromende regen komt Oranje er die donderdagmiddag niet aan te pas. Het gaat kansloos ten onder tegen Groot-Brittannië: 5-1.

De teleurstelling is enorm, maar de Nederlandse mannen zullen twee dagen later de strijd om het brons weten te winnen en met opgeheven hoofd het toernooi verlaten. Een derde plek is meer dan waarop ook maar iemand vóór aanvang van de Olympiade had durven hopen.

De andere halve finale is een reprise van de finale van vier jaar terug. Duitsland en titelverdediger Frankrijk mogen onderling uitmaken wie in de finale met de Britten mag gaan strijden om de titel. Bij de haantjes zijn in vergelijking met de ploeg die in Stockholm het goud veroverde alleen Déladier en Trouchamps er nog bij. Maar met de jonge talenten Montarnieu, Véspaix, Charderôle, Puissant, Rapèlle en Fouillon kun je amper spreken van een verzwakte equipe. De Duitsers hebben een ploeg vol routine naar Eindhoven gestuurd. In de sterkst mogelijke opstelling treedt Die Mannschaft aan: Schültenbrauer, Feigling, Rüdelsbergen, Fürchtensammler, Himpz, Tödl, Schnautze en Volstein. Het zijn namen die ook nu nog, ruim een eeuw later, bij menige Duitse hink-stap-sprong fan het hart sneller doen kloppen.

Psychologische oorlogsvoering
Het is half acht ’s avonds als de twee ploegen een doorweekt Philips Stadion betreden. Het is inmiddels gestopt met regenen maar het is kil, en vochtig. De sintelbaan, het gras, de zandbak, alles is verzadigd met hemelwater. Gegevens van bezoekersaantallen zijn er niet meer, maar op de schaarse filmbeelden die van de wedstrijd bewaard zijn gebleven, is te zien hoe de tribunes bomvol enthousiaste Fransen en Duitsers zitten. Gezien de oplopende politieke spanningen tussen de twee grootmachten buiten het veld, is deze halve finale door de FITSA (Fédération Internationale de Triple Saut Association) als risicowedstrijd aangemerkt, hetgeen betekent dat er een politieagent in het stadion aanwezig dient te zijn.

In de dagen voorafgaand aan de ontmoeting wordt de psychologische oorlogsvoering opgevoerd. Zo is na een training van de Fransen de handdoek van Dominique Charderôle verdwenen. De Duitsers weten zogenaamd van niets. Op hun beurt worden de Duitsers tijdens hun laatste training getrakteerd op een telegram-bombardement: om de tien minuten staat er een bode met een nepbericht langs de lijn waar beleefd naar geluisterd wordt. De lijst pesterijen lijkt oneindig: Op krantenfoto’s van de Fransen worden snorren getekend. Iemand heeft zout in de suikerpot op de Duitse ontbijttafel gedaan. Op de hotelkamer naast de Fransen wordt de nacht vóór de halve finale keihard grammofoon gespeeld. Het arbitrale duo weet dus dat het een pittige avond voor de boeg heeft als aanvoerders Déladier en Schültenbrauer tegenover elkaar staan voor de toss. Na het spelen van de volksliederen kan de kraker beginnen.

Totaal-hink-stap-sprong

Wedstrijdvoorbereiding van Karl-Heinz Schnautzer. De Duitsers trainden via het 'Kraft durch Schmerz' principe.
Wedstrijdvoorbereiding van Wilhelm Schnautzer. De Duitsers trainden via het ‘Kraft durch Schmerz’ principe.

Na een overrompelend opening waarin de Duitsers Frankrijk en de wereld verrassen met Totaal-hink-stap-sprong, komen de Fransen sterk terug via attente countersprongen van Rapèlle en Puissant. De wedstrijd gaat gelijk op. Rüdelsbergen opent met een foutloze sprong op het scherzo in es mineur voor piano van Johannes Brahms, geeft het stokje door aan Himpz, die zich verstapt maar zich snel herpakt. Frankrijk gaat nu wat voorzichiger hink-stap-springen. Montarnieu zorgt voor rust in de ploeg met het adagio uit Symfonie Fantastique Opus 14 van Hector Berlioz. Foutloze sprongen van Véspaix en opnieuw Rapèlle, die daarmee op 12 sprongen komt en top-springer van het toernooi wordt.

De Duitsers houden het tempo hoog met de Turkse Mars uit pianosonate nr. 11 van Mozart. Tödl en Schnautze maken geen fouten en springen Duitsland weer op gelijke hoogte. De eerste helft zit er bijna op en beide ploegen lijken zonder verdere kleerscheuren de thee te willen halen. Scheidsrechter Burqheart fluit voor de rust.

Het tweede bedrijf lijkt in niets op de eerste helft. Er is in die enerverende eerste helft met krachten gesmeten en geen van beide ploegen lijkt nog in staat om nog maar een stap te zetten. De angst om te verliezen wint het bovendien van de moed om te winnen. Er wordt langdurig afgetast. De Duitsers lijken aanvankelijk nog even op twee gedachten te hink-stap-springen: de tegenstander laten komen, of doordrukken en in het Franse bajonet lopen? Maar dan gebeurt er iets dat het aanzien van hink-stap-springen blijvend zal veranderen. De Duitsers beginnen zich in de zandbak in te graven. Er wordt met man en macht gegraven en de hele Duitse ploeg verdwijnt in gebarricadeerde tunnels. De Fransen protesteren bij de arbitrage, maar de Amerikaanse scheidsrechter weigert vooralsnog in te grijpen. Dus besluiten de Fransen om zich ook maar in de zandbak in te graven. Op de tribunes breken nu kleine opstootjes uit er worden onaardigheden uitgewisseld. De aanwezige politieagent kan maar met moeite voorkomen dat een Duitse en Franse supporter met elkaar gaan discussiëren.

Pepermuntje

Voor zover bekend de enige foto van het zandbakincident. Met de witte zakdoek op het hoofd: de Duitse aanvoerder Wolfgang Schültenbrauer.

Vanaf de eretribune ziet ook Koningin Wilhelmina – in het stadion aanwezig om de gemengd dubbel finale, later die avond bij te wonen – dat de situatie volledig uit de hand dreigt te lopen. Nederland lijkt het strijdtoneel van een internationaal conflict te worden en dat kan natuurlijk nooit de bedoeling zijn. “Zulke strapatsen halen ze maar thuis uit. Of desnoods in België!” Schijnt de vorstin te hebben gezegd, waarna ze kordaat de tribunes afdaalt en het veld betreedt. Van wat er zich vervolgens in de zandbak afspeelt bestaan verschillende versies, maar zoveel is duidelijk: Wilhelmina heeft beide aanvoerders aan de oren uit hun loopgraaf getrokken en het goed laten maken. Nadat ze beterschap hebben beloofd en de hand geschud, krijgen ze beiden een pepermuntje. De loopgraven worden snel dichtgegooid en na een kort oponthoud kan de wedstrijd worden voortgezet.

De Duitsers verslaan de Fransen en gaan naar de finale, die uiteindelijk pas in de verlenging, met hulp van de Russische scheidsrechter, in het voordeel van Groot-Brittannië wordt beslist. Het zal een opmaat blijken voor wat de wereld te wachten staat. Nederland blijft door manhaftig optreden van zijn vorstin een vervelende avond bespaard, maar met wat als het zandbakincident de geschiedenis in zal gaan heeft het hink-stap-springen voorgoed zijn onschuld verloren.

Volgende keer in Andere Tijm Sport: Onze man in Afrika. Sybrand Wiegersma, schaatsmakelaar in Equatoriaal-Guinea. Al onze bijzondere momenten uit de sportgeschiedenis leest u in de rubriek Andere Tijm Sport. In de vorige aflevering: Gerard Bakhuys – ruifballegende op krukken.

Andere Tijm Sport: Gerard Bakhuys, ruifballegende op krukken

gerard bakhuysRuifbal is in Nederland nooit een grote sport geweest. Toch speelde ons land in de vroege jaren ’80 kortstondig een niet onverdienstelijke bijrol op het internationale ruifbalpodium. Talenten als Barry Bolshof, Cor van ’t Reef, Ben Welkmans en natuurlijk de broertjes Buitenkerk speelden wekelijks in de grote buitenlandse competities en zorgden voor een opleving van de populariteit van de sport in hun thuisland. Het was dan ook niet meer dan logisch dat de KNRB in 1983 Nol Kickers, als speler en trainer succesvol bij FC Tarragona, aanstelde als hoofdtrainer van het nationale team. Aangevuld met jonge talenten uit de Nederlandse competitie wist Kickers een hecht team te smeden waarin iedereen voor elkaar wilde werken en waarin reputaties geen rol leken te spelen.

Het Nederlands ruifbalteam kon zich in 1985 voor het eerst in meer dan 40 jaar kwalificeren voor een eindronde: het Europees Kampioenschap in Tsjechoslowakije. Nadat in de voorgaande wedstrijden in Poule C, de Poule des Doods, onder andere knap was gewonnen van regerend wereldkampioen Polen, twee maal gelijk werd gespeeld tegen de Noren (toen nog een grootmacht) en aan de confrontatie met angstgegner Griekenland één punt uit twee wedstrijden was overgehouden, wachtte in de laatste kwalificatiewedstrijd viervoudig wereldkampioen en titelverdediger Oost-Duitsland. In Helmond was Nederland eerder getrakteerd op een pijnlijke 3-2-1/8 nederlaag, dus stond Oranje in de return in Erfurt voor de loodzware taak om tegen de torenhoge favoriet met minstens twee doelpunten verschil uit twee innings te winnen, danwel via een overtal in één van beide extra runs een half punt uit te lopen, mits de laatste run zonder stops werd afgewerkt. De Oost-Duitsers hadden voor een ticket naar het EK genoeg aan één punt op vier uit één van de eerste runs of een enkele inning zonder overtal in buitenpositie. Het was duidelijk wat Oranje te doen stond!

Gerard Bakhuys
Tijm Magazine zocht de man op die in de Hel van Erfurt op die gure februarimiddag in 1985, nu precies dertig jaar geleden ruifbalgeschiedenis zou schrijven: Gerard Bakhuys, inmiddels 61.

Gerard (Gerrie, Ger de man, Het Beest) Bakhuys had een moeilijk seizoen bij zijn club RKRVL achter de rug. Door blessureleed en schorsingen zat hij al een tijd op de reservebank. Maar in Oranje was hij gedurende de hele kwalificatiereeks een vaste waarde geweest tussen de ruifpalen. Kickers gaf de voorkeur aan Bakhuys boven de jongere, maar in grote wedstrijden vaak onzeker ruivende Nigel Morgenland van AC Napolitano. Het EK moest het laatste klusje worden van de toen 31 jarige Ulestratenaar.

Beenbreuk
Gerard vertelt graag nog een keer over zijn legendarische rol in die bloedstollende kwalificatiewedstrijd tegen Oost-Duitsland, toen hij vlak voor tijd bij een stand van 1-0-1/2 van Nol Kickers opdracht kreeg zijn trainingspak uit te trekken en zich warm te lopen. Bakhuys, die tegen nadrukkelijk doktersadvies in, maar op eigen verzoek op de bank zat om zijn ploeggenoten te steunen in deze alles-of-niets-pot, was nog maar net herstellende van een vierdubbele beenbreuk die hij had opgelopen in de bekerwedstrijd tegen Hollandia ’67, een week eerder. “Kickers was een man van weinig woorden,” vertelt de voormalige eerste ruifman van Oranje. “Gerrie, warmlopen.” Meer was het niet eigenlijk. Ik keek nog even om me heen of ik het goed had verstaan. Bertje (Van Haarsbergen, red.), Nieuwkerk, Van Ooijen, ze keken allemaal alsof ze water zagen branden. En het was ook tamelijk ongewoon, toen al, om een zwaargeblesseerde speler het veld in te sturen in zo’n cruciale pot. Maar je moet weten, dat waren andere tijden. Nu hebben die schoffies voor niets of niemand meer respect, maar in die tijd was de coach nog een soort God, zeg maar. Ja, of zijn zoon, daar wil ik vanaf zijn.”

Op het moment dat Bakhuys zijn trainingspak uittrekt zijn er nog 4 minuten en wat extra tijd te spelen. Oranje kijkt door een vroege, dubieuze tegengoal van de thuisploeg (Schletzenbacher zou de bal via de randzak hebben meegenomen) gedurende het grootste deel van de wedstrijd tegen een haast onmogelijk te overwinnen achterstand aan. Die Mannschaft graaft zich voor de eigen ruif in achter een ondoordringbare, wit-zwarte muur. Maar dan, diep in de derde inning, als de koppies al beginnen te hangen, valt vanuit het niets de verlossende halve aansluiter. Van Bingelen, die een matige wedstrijd speelt, krijgt de bal door een fout in de Oost-Duitse defensie zomaar voor het inschieten. De routinier aarzelt niet, haalt verwoestend uit en laat Humpfertz, tot dan toe superieur ruivend, kansloos. 1-0-1/2! Alles is ineens weer open. Na deze mentale dreun, gaan de mannen van Kickers er in geloven; ze ruiken bloed. De regerend kampioen wankelt.

nederlandsruifbalteam
Nederlands ruifbalteam 1985

Snoeihard in de vier gevloerd
De Eintracht Arena is nu een ware heksenketel: 40.000 uitzinnige Oost-Duitse fans moedigen de thuisploeg hartstochtelijk aan. Maar ook de ruim 23 meegereisde Nederlandse supporters laten van zich horen. Het lijkt nu slechts een kwestie van tijd voor Oranje de genadeklap uitdeelt, maar de spelers van Nederland gaan slordig om met de kansen die komen, het negental oogt nerveus, gehaast, zich realiserend welke enorme kans het hier ineens krijgt om geschiedenis te schrijven. Bolshof krijgt een dot van een kans maar staat onder ruif. De Roy, inmiddels in de ploeg gekomen voor John Buitenkerk, die zich helemaal leeg heeft gespeeld wordt snoeihard in de vier gevloerd. De scheidsrechter ziet er niets in, laat doorspelen. De zoveelste beslissing in het voordeel van de thuisploeg.

Hazelaar en Van ’t Reef dollen de Oost-Duitse verdedigers met een opzet-schuif, de bal raakt het lint. Ondertussen tikt de tijd weg en lijkt Oranje het toch weer niet te gaan redden. En dan is daar dus die geniale wissel van ‘De Maarschalk’. Kickers mag nog één keer wisselen en kiest ervoor om zijn zwaargeblesseerde ruifman in het veld te brengen.

De bevrijdende 1-0-2,1/2
De spelers van die Mannschaft raken door de aanblik van de zich op krukken warmstrompelende Bakhuys zo van hun stuk, dat spits Bolshof diep in blessuretijd van de verwarring gebruik kan maken en de bevrijdende 1-0-2,1/2 kan binnenkoppen uit een nog steeds omstreden paalschop. Linksback Günther Rheinmann beweert tot op de dag van vandaag, dat hij de voorzet van Hazelaar niet eens heeft gezien, laat staan nog heeft aangeraakt, aangezien hij in die hectische laatste minuten enkel oog had voor Bakhuys die langs de kant in zijn rolstoel klaarstond om in te vallen. De rest is geschiedenis: Oranje kwalificeert zich ten koste van Oost-Duitsland voor het EK, speelde daar verder geen enkele rol van betekenis en kon na drie wedstrijden puntloos naar huis.

Voor Barry Bolshof was de zo belangrijke goal zijn derde dat seizoen, een nationaal record dat nog steeds staat.

Succescoach Nol Kickers stapte op als keuzeheer van Oranje na het desastreus verlopen eindtoernooi en ging aan de slag bij de Engelse Tweedeklasser FC Dunhill. Hij werd daarmee de eerste Nederlandse trainer die een Engelse profclub onder zijn hoede kreeg. Het werd een jammerlijke mislukking, mede door het feit dat Kickers geen woord Engels sprak.

Gerard Bakhuys zou nooit meer een wedstrijd ruiven. Hij opende een sigarenzaak in zijn woonplaats Ulestraten die hij nog steeds runt met zijn vrouw Mia en dochter Shannaya.

Volgende keer in Andere Tijm Sport: de hink-stap-sprong Olympiade van 1914. Of: hoe een zandbakincident bijna de Nederlandse neutraliteit in gevaar bracht.