VOC-museum: ruiken, proeven en afranselen

VOC-museum: ruiken, proeven en afranselen

Hoe zag het leven er vroeger in de koloniën uit? In het kader van de Museumweek konden kinderen bij het Centrum Varend Erfgoed voor even mee terug naar de VOC-tijd van de zeventiende-eeuw. “Het is leuk om precies hetzelfde te doen wat ze vroeger deden,” vertelt Bartje Jans (8), terwijl hij zijn Sumatraan op zeemanswijze afranselt. “Dit is heel makkelijk en vet leuk!”, glundert de jonge knaap.

Aan de andere kant van het terrein geniet Raymond Bogers (8) samen met zijn broertje Ian (3) van een stukje suikerriet. Geplukt op een plantage, zoals ze die vroeger ook hadden. “Mensen afbeulen vind ik het leukst van vandaag,” vertelt Raymond.

Naast het inlanders afranselen en suikerriet eten konden de kinderen een kanon laden, katrol hijsen en een scheepslek dichten door middel van henneptouw. De VOC’ers, gehuld in kledij uit die tijd, maakten het allemaal zo écht mogelijk. Organisator Jean Bikkers is dan ook content. “Dit is de eerste editie en dat is altijd even uitproberen. Zaterdag kwamen er, mede door de Unicefloop en het slechte weer, maar dertig kinderen terug. Zondag ligt het aantal al een stuk hoger. En de kinderen vinden het hartstikke leuk. We zijn erg tevreden. En als je het levendig maakt met activiteiten is dat extra leuk.”

Bron: NH Dagblad: VOC: ruiken, voelen en proeven

Cc-foto: Missy and the universe

Rutte: autochtone voetballertjes moeten zich invechten

Rutte: autochtone voetballertjes moeten zich invechten

Voetbalclubs mogen geen Marokkaanse kinderen weigeren omdat andere Marokkaanse kinderen zich misdragen. Dat heeft premier Rutte vrijdag gezegd in een reactie op de uitlatingen van voetbaljournalist Johan Derksen eerder deze week. Volgens Derksen zijn al veel clubs ‘naar de klote’ gegaan, omdat Marokkaanse spelers zich zouden misdragen. Premier Rutte ziet het anders:

“Een van de dingen die ik leer van jonge voetballertjes, is hoe ingrijpend discriminatie is. Dat het in Nederland nog veel voorkomt en het echt uitmaakt of je Mohammed of Jan heet als je op voetbal wilt. Ik heb daar over nagedacht en ben tot de conclusie gekomen dat ik dit niet kan oplossen. De paradox is dat de oplossing bij Jan ligt. Ik kan tegen Nederland zeggen: ‘discrimineer a.u.b. niet, beoordeel iemand op sportiviteit en kunnen. Maar als het wel gebeurt, heeft Jan de keus: afhaken wegens gebroken ledematen of doorgaan. Je moet je invechten.”

Scholieren uit Weert die langs VVD’ers fietsen krijgen begeleiding

De gemeente Weert gaat beveiligers beschikbaar stellen om met scholieren mee te fietsen langs een partijkantoor voor VVD’ers in Weert. Dat bevestigt de gemeente na berichtgeving van de Telegraaf. Het gaat om een groep van zeker vijfhonderd kinderen die in de buurt van het kantoor naar school gaan. Volgens wethouder Geert Gabriëls (Onderwijs) komt de gemeente met het plan tegemoet aan een gevoel van onveiligheid bij bewoners.

‘We willen het niet moeilijker maken dan het is. Sommige bewoners hebben het gevoel dat het onveilig is en dat krijgen we niet uit hun hoofd gepraat. We staan er wel bij stil dat we zo het signaal afgeven dat het wel eens onveilig zou kunnen zijn, maar ik benadruk nogmaals dat er geen signaal is dat een samenscholing van VVD’ers gevaarlijk is. We willen het liefst dat bewoners er zelf achter komen dat VVD’ers niet per se een bedreiging vormen.’

Een grote groep bewoners is een protestgroep gestart. Zij zijn vooral boos dat de gemeente geen inspraak van omwonenden heeft gevraagd voor het huisvesten van VVD’ers. Volgens de gemeente was daar geen tijd voor.

VVD-driehoek
Het besluit van de gemeente Weert komt op het moment dat er veel te doen is over radicaliserende liberalen. Zo schreef dagblad Trouw eerder deze maand over de VVD-driehoek Wassenaar-Bloemendaal-Bilthoven, waarin extremistische VVD’ers de dienst zouden uitmaken en de politie zich nauwelijks nog op straat durft te vertonen.

gerri4We wachten nog op de laatste berichten uit Weert van onze correspondent Gerri Eickhof

Nieuw EO-programma: Brown met Johnny

In het nieuwe EO-programma Brown met Johnny gaat Johnny de Mol een bijzondere uitdaging aan. Hij volgt verschillende gepigmenteerde mensen om te laten zien dat ze tot meer in staat zijn dan dansen en roti maken. Johnny gaat bij ze op bezoek en stelt ze brutale en persoonlijke vragen. Spontaan en ongeremd brengen ze tijd door met Johnny, wat tot veel grappige en intrigerende tv-momenten leidt. Zo zien we Michelle die haar administratie op orde brengt, Michael die geen peper blijkt te eten en Raoul die een dagje mag meedraaien op de radio bij Dit Is De Dag.

Van gepigmenteerde mensen wordt vaak aangenomen dat ze maar moeilijk mee kunnen komen in onze hedendaagse maatschappij. Vaak wordt de focus gelegd op wat ze niet kunnen, terwijl donkere mensen, net als gewone mensen, beschikken over allerlei kwaliteiten en mogelijkheden. Johnny laat overtuigend en soms op ontroerende wijze zien dat donkere mensen soms zelfs zelfstandig een heel eigen leven kunnen leiden.

johnny2

Muziek: Hoe jazzvirtuoos Willie Hermans furore maakte in Amerika

williehermans
Willie ‘Boulder Bucksy’ Hermans

Willie ‘Boulder Bucksy’ Hermans komt op 1 mei 1936 in het Achterhoekse dorp Hummelo en Keppel ter wereld als Wilbert Hermenegildus Gregorius Hermans. Hij maakt al jong kennis met jazz en is vooral onder de indruk van het geluid dat de trompet voortbrengt. Op tienjarige leeftijd wordt hij onder de hoede genomen van jazzmuzikant en oorlogsveteraan Dexter Manzie die hem de kneepjes van het vak bijbrengt en hem zijn eerste trompet cadeau doet. Hermans vertrekt uiteindelijk vanuit Hummelo en Keppel via Rotterdam naar New York, waar hij het podium deelt met Dave Brubeck. In de nachtclubs waar hij optreedt, legt hij de basis voor wat uiteindelijk bekend zal staan als ‘Backhook Bebop’, een improvisatievorm waar menig jazzmuzikant zich door laat beïnvloeden.

De vroege jaren
Als Hermans vijf jaar oud is, komt hij voor het eerst in aanraking met een geluid dat zijn leven voor altijd zal veranderen. Het dorpshuis wordt in die tijd bevolkt door een kleine divisie van het Duitse leger . De in het plaatsje gestationeerde soldaten vervelen zich. Ze komen de dagen door met drank, sigaretten en – sinds vader Hermans aan het werk is gezet in Duitsland – met Willies moeder. Met tegenzin die ze uit trots verborgen houdt, maakt ze de dagelijkse gang naar het dorpshuis. Maar zonder haar man zijn de Duitsers de enigen die ervoor zorgen dat haar voorraadkast gevuld blijft. Goed gevuld.

De kleine Willie hangt hele dagen in en rond het dorpshuis en leert, mede door zijn dyslexie, eerder een sjekkie draaien dan zijn naam spellen. Het dorp zelf mijdt hij het liefst. Hij is te jong om te begrijpen wat de oorlog precies is, ze komen thuis niets te kort en zijn moeder lijkt het prima te kunnen vinden met de Duitsers. Hermans wordt door dorpsgenoten uitgemaakt voor moffenjong. De kinderen gooien stenen naar hem. Maar Hermans is voor de duvel niet bang en klein als hij is, gaat hij met een ieder op de vuist die een kwaad woord over hem of zijn moeder spreekt. Het levert hem de bijnaam Bolderbokse op, een druktemaker.

Op een dag loopt hij langs de kamer waar commandant Müllner kantoor houdt en wordt getrokken door de klanken die door de open deur naar buiten komen. Müllner, in een goede bui, nodigt Hermans uit en zet hem in een van de grote stoelen. “Das ist Jazz,” legt de commandant uit. Willie is gevangen door de sound en zal vanaf die dag, zo vaak hij kan in het kantoor zijn om mee te luisteren naar de grammofoonplaten. Dit gaat enkele jaren zo door, tot hij het dorpshuis inloopt en alleen nog een puinhoop aantreft. De geallieerden rukken op en de Duitsers hebben hals over kop het dorp verlaten. In het kantoor staat een grote kartonnen doos met daarop een briefje: ‘Für Willie, meine kleine Leberknödel‘. Müllner heeft de grammofoon en de platen achtergelaten.

Het muzikale begin
Vader Hermans keert niet terug uit Duitsland en moeder ontwikkelt een dusdanig grote liefde voor het stoken en nuttigen van jenever, dat zij nauwelijks nog naar haar zoon omkijkt. Vriendjes heeft Hermans niet. Hij brengt zijn dagen door met de grammofoonplaten en vindt troost in het spel van Louis Armstrong en het eten van sprotreuzel, een plaatselijke delicatesse. De Amerikaan Dexter Manzie, een gepensioneerde legerkapelaan die na de oorlog als predikant in het dorp is blijven hangen, ontfermt zich over de jongen. Ze delen de liefde voor de jazz en Manzie blijkt een vaardig trompettist. Hij leert Hermans spelen en die blijkt talent te hebben. Het duurt niet lang voor Hermans beter speelt dan zijn meester. Dankzij Manzie stijgt het trompetspel van Hermans langzaam naar eenzame hoogte. Al is het maar omdat er, op Manzie na, in de wijde omgeving niemand anders jazz speelt. ‘Aj ne ende zeuven joar looplesse geeft, waggelt ze nog,’ wordt er in het dorp gemompeld wanneer hij langsloopt. Hij voelt zich onbegrepen.

Hermans heeft moeite met lezen en schrijven en kan op school moeilijk meekomen. Sjekkies draait hij nog altijd als de beste. Hij moet vaak blijven zitten en als hij op zestienjarige leeftijd gevraagd wordt om in de band van Gelderswoudenaren John Altman en Benny Horn te komen spelen, stopt hij direct met school en trekt naar het westen. Bij het afscheid doet Manzie Hermans zijn trompet cadeau. Hermans bezit nu voor het eerst een eigen instrument.

John Altman achter de piano, links Benny Horn op de trombone. Achterin een piepjonge Hermans.
John Altman achter de piano, links Benny Horn op de trombone. Achterin een piepjonge Hermans.

De oversteek
Hermans neemt uiteindelijk met Altman en Horn het album ‘Altman & Horn’ op, inmiddels een collector’s item, maar het zal bij die ene plaat blijven. De nummers zijn van uitzonderlijke kwaliteit, mede door de formidabele solo’s van Hermans. Op het nummer ‘The snowy hills love banjo’ bespeelt hij behalve trompet ook een zelf ontworpen neusfluit. Het trekt de aandacht van legendarische jazz-impresario Honeycomb Watkins die hem uitnodigt naar New York te komen. Hermans, die Gelderswoude eigenlijk al te ver van huis vond, staat niet direct te springen. Uiteindelijk laat hij zich overhalen en neemt de boot naar The Big Apple. Een tocht die onderweg de haven van Reykjavik nog aandoet en in totaal maar liefst twaalf weken duurt. De reis is geen succes.

Hermans brengt het grootste deel van de reis zeeziek en hangend over de reling door. Eenmaal in New York blijkt tot zijn ontsteltenis nergens sprotreuzel te vinden. Hij maakt direct rechtsomkeert, laat Honeycomb Watkins totaal verbouwereerd achter op de kade en komt na nog eens twaalf zeezieke weken weer aan in Rotterdam. Zijn plek in de band van Altman en Horn blijkt vergeven. Terug naar huis ziet hij ook niet zitten en dus neemt hij een drastische beslissing: hij tikt een blik sprotreuzel op de kop en stapt opnieuw op de boot. Geld voor deze tweede oversteek heeft hij niet, maar de kapitein gaat ermee akkoord dat Hermans het dek schrobt en ’s avonds voor het muzikale vermaak zorgt. Daar komt in de praktijk echter weinig van terecht, omdat ook nu Hermans hele dagen over de reling hangt.

Opkomst en ondergang
In New York vindt Hermans onderdak bij een ouder Joods homokoppel in de Upper East Side en aan de hand van Honeycomb Watkins betreedt hij het New Yorkse jazzcircuit. Watkins moedigt Hermans aan zijn naam wat op te leuken met een jazzy bijnaam. Hermans vindt het eigenlijk onzin, maar gaat toch overstag. ‘Do maar Bolderbokse,’ zegt hij in zijn beste Engels en zo staat hij die begindagen bekend als Willie ‘Boulder Bucksy’ Hermans from the Backhook. Het virtuose spel van Hermans blijft niet onopgemerkt. Op een avond speelt Hermans in dezelfde club waar later ook Dave Brubeck zal spelen. Brubeck begint inmiddels naam te maken en is op zoek naar een goede trompettist om zijn band completeren. Als hij Hermans hoort spelen, weet hij dat hij zijn man gevonden heeft.

Brubeck is lyrisch over zijn nieuwe aanwinst en geeft Hermans vrijwel elke avond flink de ruimte voor zijn solo’s. De rokerige café’s worden clubs, de clubs worden festivals. Brubeck is booming en met hem Willie ‘Boulder Bucksy’ Hermans. Waar Hermans eerst nog veilig en routineus speelde, begint hij nu meer en meer te experimenteren. En niet alleen met muziek. Terwijl Hermans improvisaties iedereen van verbazing doen omvallen, raakt hij achter de schermen meer en meer in de ban van de heroïne. Steeds vaker verschijnt hij met kapotte lippen op het podium. Wonderwel blijft hij zijn fabuleuze solo’s blazen, maar zijn conditie verslechtert en zijn lippen doen vrijwel altijd zeer. Hermans heeft het moeilijk. Het doek valt uiteindelijk na het legendarische optreden tijdens het New Port Jazz Festival. Hermans speelt de sterren van de hemel, maar zakt na afloop backstage in elkaar. Als hij weer bijkomt ontsteekt hij in woede en gaat Ray Charles, die juist het podium wil betreden, met een stemvork te lijf. Charles ziet het niet aankomen en loopt een diepe snee in zijn wenkbrauw op. Voor Brubeck is de maat vol, hij zet Hermans uit de band.

Nadagen
Hermans verhuurt zichzelf aan elk ensemble dat hem hebben wil en speelt bijna elke avond in dezelfde rokerige cafe’s waar hij begon. Het betaalt nauwelijks en er zijn dagen waarop hij op straat rondhangt en voorbijgangers om geld bedelt. Als hij op een avond via de artiesteningang van The Onyx Club naar binnen glipt om een optreden van Quincy Jones bij te wonen, krijgt hij het in de coulissen aan de stok met de meester zelf. Hermans blijkt niet tegen hem opgewassen en wordt met zijn eigen trompet afgeranseld. Gebroken neemt Hermans de volgende ochtend de beslissing terug naar Holland te gaan.

De tocht aan boord van een vrachtschip doet hem goed, in die zin dat hij noodgedwongen afkickt van zijn heroïneverslaving. Eenmaal terug in Nederland pakt hij de muzikale draad weer op en richt hij met vijf andere muzikanten The Willie Hermans Jazz Quartet op. Ze zijn enkele jaren een graag geziene act in de Nederlandse jazz scene. Dan, op 17 januari 1989, is alles voorbij. Vlak voor een optreden op het grote jazzfestival van Winterswijk, waar een reünie met Altman en Horn zal plaatsvinden, stort Hermans in. Hij wordt met acuut leverfalen naar het ziekenhuis gebracht, maar onderweg overlijdt hij. Hermans is 52 jaar geworden.

Nalatenschap
In 1997 ontvangt Hermans postuum de prestigieuze Golden Trumpeteer Award op het Boston Jazz Gala. Loftuitingen zijn er van Wynton Marsalis, Herbie Hancock, Sonny Rollins en zelfs Quincy Jones. Hermans wordt geroemd om zijn Backhook Bebop, de sound waar zij allen hun eigen muziek op hebben gebaseerd. Bij het verschijnen van dit artikel wordt in de gemeente Bronckhorst een begin gemaakt aan een standbeeld voor hun eigen Bolderbokse.

Hieronder het enige overgebleven filmfragment van Willie Hermans, waarin hij optreedt met de legendarische Dave Brubeck.

Cc-foto: William P. Gottlieb

Zakelijk: “Nederland moet weer durven durven”

Frits van de Witte tijdens één van zijn inspiratiesessies.
Frits van de Witte tijdens één van zijn inspiratiesessies.
Frits van de Witte is een optimist. Hij ziet een stijgende lijn in het aantal ondernemers in Nederland. Desondanks mist hij de échte ambitie in ons land en zijn er volgens hem nog maar weinig mensen die risico’s durven te nemen om te groeien. ‘Heb je als ondernemer geen groeiambitie, dan kun je beter, nou ja, geen ondernemer worden,’ aldus de ras-entrepreneur.

Uw boek over groeiambitie, Kansen grijpen – ook wanneer deze tegenstribbelen, behaalde een top-notering. Het staat momenteel op de tweede plaats in de lijst managementboeken. We horen ook steeds meer geluiden dat groei helemaal niet nodig is. Dat we aan onze planeet moeten denken.
Daar ben ik het ab-so-luut niet mee eens. Wie zo denkt is geen ondernemer. De markt wordt gedomineerd door winnaars en hoor je daar niet bij, dan ben je dus een verliezer. Een loser, zeggen ze ook wel in het buitenland. Daar kom ik vaak. Mshindwa zeggen ze in het Swahili. Maar wanneer je groeit, ben je een winnaar. Dan kun je zoveel meer qua investeren en innoveren, en dat geeft energie. Of pungao, zoals de Maori zeggen. Die zitten ook boordevol energie. Je kunt ook nooit genoeg bezitten. Bezit, daar hebben ze in veel landen niet eens een woord voor.

In uw boek schrijft u over een tekort aan VOC-mentaliteit. We zijn een land geworden van marginale zeurpieten. Hoe kunnen we dit tij keren?
Om te beginnen door onze ambities op te schroeven en weer te durven durven. Zelf ben ik enorm geïnspireerd door managementgoeroe Veerindar Abahijeevan. Ik ben naar India afgereisd om een lezing van hem bij te wonen. Een energie dat er van die man uitging, fantástisch. Wat een dynamiek. ਡਾਇਨਾਮਿਕ zeggen ze daar. Maar hij adviseerde dus het buikdenken. Het denken vanuit ons aangeboren instinct. Ze hebben daar in die kringen een gezegde, wat vrij vertaald iets is als: wat in de buik zit, liegt niet. Je lichaam weet welke richting je op moet, veel eerder dan het hoofd. Daar moet je naar luisteren.

Op welke manier zien wij dit terug in uw eigen ondernemerschap?
De huidige tijd vraagt om innovatie en soms houdt dat in dat we terug moeten grijpen naar beproefde methodes. We moeten in Nederland weer zwart-wit durven denken. De VOC-mentaliteit dus. Morgen vertrekken we op een eerste expeditie naar De Zuid. Net als vroeger met een aantal schepen het ruime sop kiezen. Onder de grenzen van ons veilige Europa ligt een hele wereld klaar om ontdekt te worden.

Bedoelt u soms Afrika?
De Nieuwe Wereld, noem ik het.

Ja, maar…
Ho, stop. Ik weet waar u naartoe wilt. Dat hoor ik namelijk vaker wanneer ik mijn plannen uit de doeken doe. Maar dan vraag ik u, wat als Columbus thuis was gebleven en nooit Amerika had ontdekt? Of dichter bij huis, als Abel Tasman nooit naar Nieuw-Zeeland zou zijn gevaren? Bedenkt u eens in wat voor karige wereld wij dan zouden hebben geleefd. Dat een continent bewoond is en mogelijk zelfs al eerder ontdekt, is geen enkele reden om dat niet gewoon nog eens te doen. Dát is de VOC-mentaliteit.

Ik… ik weet niet zo goed…
De Nieuwe Wereld, yangi dunyo in het Oezbeeks, ligt vol mogelijkheden. En dan heb ik het dus niet eens alleen over de grondstoffen. Natuurlijk, ik heb het vermoeden dat het land mogelijk rijk is aan mineralen en misschien zelfs olie, maar dat is allemaal secundair. Ik denk voornamelijk aan human capital. We moeten minder in producten denken, en meer in mensen. Niet meer dat verouderde mantra van out-of-the-box-denken. Nee, ouderwetse mankracht. Hup, die box in. Overigens is dat ook het onderdeel van de expeditie waar ik de meeste reacties op heb gekregen. Het was tegen het zere been van velen, maar ik trek er geen woord van terug.

Goed. Heeft u tot slot nog een boodschap voor startende ondernemers?
Dat we best iets trotser mogen zijn op onze succesvolle ondernemersgeschiedenis. Toen ik in de jaren tachtig begon met ondernemen was een dergelijk plan not done. Maar de houding jegens ondernemerschap is omgeslagen, men is er klaar voor. Grijp die kansen, боломж in het Mongools. En blijf ambitieus, zoek die groei. De wereld verandert en als je daar als ondernemer in mee wilt, dan is het bovenal noodzaak mijn boek te kopen. Misschien is die eerste plaats nog wel haalbaar, ook dat is groei.